Julius Caesar bracht Rome grootsheid. Met zo'n attitude van "ik veni-vidi-vici" dat hier wel even voor mekaar, liep Juul in een mum van tijd het grootste deel van de toen bekende wereld onder de voet.
Hij overwon zelfs de Oude Belgen, die hij tot de dappersten der Galliërs benoemde. Hij voegde daar meteen aan toe -- en dat stond natuurlijk nooit in onze geschiedenisboekjes -- dat ze ook de achterlijksten waren: "Van
al deze volkeren zijn de Belgen het dapperst, en wel doordat ze het verst verwijdert zijn van de Romeinse Provincie met haar verfijnde levenswijze."
Nu kostten die uitstapjes toentertijd handenvol geld: van Ryan Air was nog geen sprake. Vaste barema's voor keizerlijke wedden had je toen ook al niet, en dus zag Caesar zich regelmatig verplicht wat zakgeld te gaan ophalen bij de senaat. "Geef Caesar wat Caesar toekomt," sprak hij dan. In den beginne zag Caesar die schamele bijdrage nog door drieën gedeeld, want hij deelde het keizerschap met Pompeus en Cracchus. Dat probleempje loste zichzelf op:
de eerste liet zijn romp van zijn hoofd scheiden bij een uitstapje naar Egypte, de andere kreeg zijn goud oraal en in gesmolten toestand toegediend. Beiden overleden aan de gevolgen van die evenementen en dus had Caesar de troon voor zich alleen. Maar de senaat, die bleef.
En die was een doorn in het keizerlijke oog. Dezer dagen wordt zo'n senaat dan vlotjes buitenspel gezet met bijzondere volmachten, toen was politiek nog niet zo gesofisticeerd. Caesar pakt het anders aan: hij smokkelt op slinkse wijze een bondgenoot binnen: senator Brutus. Zijn eigenste aangenomen zoon. Op die manier wist Caesar zich verzekerd van een luistervink, en nog belangrijker: van een ja-stemmer telkens hij zijn zakgeld ging bedelen. Keizer Juul had de zaakjes netjes voor mekaar, zo leek het.
Het vervolg is bekend: bij de volgende zitting plantte de voltallige meerderheid een mes in de rug van Caesar, en toen die tussen de messentrekkers zijn zoon herkende, sprak hij voor de laatste keer historische woorden: "Tu quoque, filii mei?" ofwel "Ook gij, mijn zoon?" Caesar verdient daar alle respect voor natuurlijk: niet alleen zouden u en ik op zo'n moment waarschijnlijk niet verder komen dan een slecht gearticuleerd 'Aaaargh', hij verboog zijn Latijn nog volgens het boekje. Exit Casear in ieder geval. Met een doekje.
Zover het verhaal ook. Ik vertel het u omdat mij altijd een ding heeft dwarsgezeten in deze geschiedenis. Hoe komt het dat een van de grootste strategen die deze wereld ooit gekend heeft, zich uiteindelijk zo eenvoudig de das laat omdoen? En omdat het sinds kort een tweede vraag oproept: hoe komt het dat wij die fout twee volle millennia later nog altijd maken?
U mag nu spreken en u zal gehoord worden: in deze tijden riskeert u daar niet meer de leeuwen voor.



Recente reacties