"De mensen gaarne zien, dat is mijn hobby," zo kon je lezen op de muur achter zijn hoofd. De spreuk stond op een vuilgroene kartonnen kaart van Bond Zonder Naam. Het hoofd behoorde toe aan de pif van het college, of, wanneer je door een leraar naar hem toegestuurd werd: de prefect.
Als je nog in de lagere school zat, trok hij je soms zo hard bij een oor dat je op de tippen van je tenen moesten staan om de pijn te harden. Hij stelde dan vragen en wanneer je die naar wens had beantwoord, liet hij je oor los. Net op het moment dat je een zucht van verluchting wilde slaken, kreeg je nog een zinderende oorveeg.
Hij had dezelfde naam als de begrafenisondernemer verder in de straat, en niemand geloofde daaromtrent in toeval.
Zijn precieze functieomschrijving is me nooit echt duidelijk geweest, maar hij betekende altijd slecht nieuws. Je moest naar de pif wanneer je te laat was. Of wanneer je iets verkeerd gedaan had: hij was de ultieme dreiging. Eerst kreeg je acht bladzijden, dan was er de gewone strafstudie, dan had je de retenu en als dat allemaal niet meer baatte sprak de leraar met ontzag in zijn stem de banvloek uit: "ga maar naar Meneer Prefect." Hij besliste over leven en dood.
In de middelbare school kwam ik regelmatig bij de pif.
Eerst moest je aanbellen bij zijn bureau. Het lampje aan de bel stond steevast op bezet — de pif was een drukbezet man. 's Morgens stond er vaak een rij kinderen, sommigen aan het wenen bij het vooruitzicht van het onheil dat hun boven het hoofd hing. Wanneer je binnenkwam was hij altijd aan het schrijven, hoofd over het bureau gebogen. Zonder opkijken zei hij dan na een tijdje: "Ja!" en een geroutineerd bezoeker wist dat het pas dan geoorloofd was om te spreken. Een debutant had op dat ogenblik al acht bladzijden extra verdiend.
Voor mij maakte hij na een tijdje een uitzondering op zijn routine. Nog steeds met het hoofd over de papieren, sprak hij dan: "De Vries!?" Hoe hij mij kon herkennen vanuit die hoek, is mij tot op de dag van vandaag een raadsel. Misschien was het mijn stap (ik was vaste klant, met een hoogtepunt van vier pif-visites op een schooldag: het moet een record geweest zijn in zijn loopbaan).
"De Vries, hebt gij geen probleem, jongen?"
Op den duur boezemde de pif mij geen angst meer in: hij werd onderdeel van een normale schooldag, én van een doorsnee woensdagnamiddag, voor de retenu. Hij kreeg elke morgen een nieuwe aflevering in de soap Frédéric en zijn Fiets. "Weet u nog dat ik gisteren een nieuwe ketting had opgelegd? Vandaag is ze al gebroken! Het moet iets met mijn kamwiel zijn." En dan liet ik mijn handen zien, bruin en plakkerig van het smeervet. Ik probeerde de geloofwaardigheid van mijn verhaaltjes te verzorgen.
Als ik het te bont maakte, fronste hij een wenkbrauw, en plaatste hij een kanttekening "Onder ne kamion gereden? En niks gebroken, geen scheureke in uw broek? Tiens-tiens..."
Toen ik uiteindelijk de eerste schooldag in een nieuwe school achter de rug had, zei mijn moeder dat de prefect van het college gebeld had. Om te vragen of ik ziek was geweest. Mijn moeder had verbaasd gereageerd (ik was buitengevlogen op het college). Niemand had het hem verteld. Ze had gezegd dat ik op een andere school zat nu.
"Spijtig. 't Was geen slechte jongen," had hij gezegd, en ingehaakt. Ik besefte pas toen dat hij helemaal niet zo belangrijk was op school. En pas dan had ik door dat hij mijn verhaaltjes nooit geloofd had. En snapte ik dat het hem werkelijk speet dat ik die niet meer elke morgen geanimeerd zou komen vertellen.
Ik had een fiktief lijflog op mijn veertiende.
Ik heb weer genoten van een prachtig verhaal, Frédéric!
Klasse, frédéric! Zo Uw pif, zo Uw lezers: helemaal niet zo belangrijk. Maar ik ben oprecht blij dat U nog altijd de moeite neemt te vertellen. En Uw pif heden ten dage vanachter zijn browsertje wellicht ook.
Leek mij in het begin de pif een klein en zogenaamd belangrijk man, doch aan het eind van het verhaal een groot man.
Mooi verhaal!
Heerlijk, die nostalgie. Met veel plezier gelezen.