Hier lag een hoopje mens te kermen. Mijn Bompa. Toen ze hem hadden verteld wat wij al twee jaar wisten, had hij ervoor gekozen thuis te sterven. “Uitgezaaid” is het lelijkste woord dat een mens in zijn leven te horen kan krijgen.
Hij lag er nu al meer dan een jaar en zijn lichaam eiste met de dag minder plaats op in het bed.
De handen die vroeger schroeven aandraaiden tot de draad stukging, waren nu nog wat knoken in een doorschijnend vliesje. Op die handen had hij zijn familie gedragen. Hij had er als jongen de gokschulden van zijn vader mee afbetaald. Zijn kinderen hadden gestudeerd van die handen, zodat zij tenminste hun handen nooit zouden moeten vuilmaken in de Haven van Antwerpen. Hij had er zijn sigaretten mee gerold, tot de dokter hem had gezegd dat dat niet meer kon.
Veel had het niet geholpen.
Hier lag de beer van weleer, de man van wie ze zeiden dat hij nooit kloeg, te jammeren als een kind.
En de dokter, hij zei: “Komkom, ge moet flink zijn he, meneer De Vries.” En de dokter, hij durfde niet meer pijnstillers voorschrijven, want dat zou schadelijk zijn, meer dan de maximumdosis. Het waren de tijden voor de euthanasiewet.
Hij lag te kermen en ik liep naar buiten. Ik ging nooit meer terug. Een maand later was hij eindelijk dood.
Daar werd een mouw aangepast: na de nodige steekpenningen over en weer kon de trouw dan toch doorgaan op de vooravond van de titelstrijd in derde klasse — al was het maar omdat die toch op verplaatsing gespeeld wordt.
Recente reacties