Behoudens een ongeval zometeen onderweg of het uitbreken van WO III, heeft uw dienaar dit jaar zijn belastingaangifte op tijd in de bus gegooid.
Of: achter een jarenlange traditie wordt deze avond een punt gezet. Het hoeft dan ook niet gezegd dat een niet onbelangrijk deel van de opbrengsten van deze besparingen al deze avond verbruikt gaan worden. Gezondheid! Ook voor u.
augustus 2005 Archieven
Ik aarzel even voor ik het laatste cijfertje intik van het telefoonnummer op het papiertje. Als man vermijd je dit soort gesprekken; het is deel van de code. Het is ondertussen al mijn tweede keer. Van de vorige keer weet je: na het telefoontje volgen onvermijdelijk fysieke confrontaties. En fysieke confrontaties ga je als man niet uit de weg. Hoort ook bij de code.
De telefoon gaat tergend langzaam over wanneer ik het laatste cijfertje druk.
“Unilease Assistance, goeienacht. Waarmee kan ik u van dienst zijn?”
Een vriendelijke vrouwenstem! Maakt het nog wat erger.
“Ik sta in panne.”
“Mag ik even uw nummerplaat?”
“Alfa Bravo Tango Zeven Zes Vijf” (De male code dicteert ook dat je je nummerplaat kan doorgeven zoals de politie dat doet over de radio en op TV, aan de andere kant van de lijn weten ze meteen dat ze niet met een doetje te maken hebben, maar met een die hard kilometervreter.)
“En wat is er precies aan de hand, mijnheer De Vries?” Er klinkt ontzag in haar stem.
Je slikt even en wurgt de woorden dan moeizaam door je keel.
“Ik vrees dat u even wegvalt, mijnheer De Vries. Kan u dat nog even herhalen?”
Geïrriteerd roep je dan het antwoord glashelder door de lijn. Even is het stil aan de andere kant.
“U maakt een grapje, meneer De Vries.”
“...”
Zij noteert de locatie en gooit de hoorn honend op.
Ik zie nu al op tegen de rit in de takelwagen.
Genante stilte is wat invalt wanneer je in een cabine zit met een man aan wie je net hebt bekend dat je benzine in je dieseltank hebt gekieperd.
De man loopt en vijftigduizend toeschouwers zien hem afzien. “Een nieuwe beste tussentijd!” schreeuwt een stem door luidsprekers. De Mexicaanse golf loopt synchroon met de man in de arena. Dertien van de vijfentwintig ronden zijn gelopen. Hij dubbelt nu al de laatste lopers en verschroeit zijn directe achtervolgers.
Deze man is de laatste kans voor de memorial. Hij heeft een wereldrecord beloofd. Hij heeft gezegd dat het vandaag zal sneuvelen en hij blijft record-tussentijden aan mekaar rijgen. Zijn eigen tijden.
De man verzwakt geen ogenblik.
Maar niet verzwakken is niet genoeg.
Hij moet versnellen.
Zijn vorig record dankt hij aan een legendarische laatste kilometer. Na 9000 meter strak tempo had hij toen een versnelling ingezet. Een versnelling van een kilometer: het lijkt onwaarschijnlijk dat hij dat nu nog eens kan, met dit tempo.
Er wordt niet meer gegolfd in het stadion: iedereen blijft nu rechtstaan en schreeuwt de man naar voren. Nog drie ronden scheiden hem van de waarheid. Het kippenvelmoment is wanneer hij op twee en een halve ronde van het einde niet versnelt. Hij loopt weg. Hij zet een sprint in met nog twee en een halve ronde te gaan.
Het volk in de arena wordt uitzinnig. Als er een dak boven het koning Boudewijnstadion hing, ging het publiek erdoor. De man duikt drie seconden onder het vorige record.
In het gejoel ben ik even stil. Daar beneden loopt een man die nooit achterom moet kijken.
[De man heet Kenenisa Bekele en laat de 10 000 meter in 26:17.53 afklokken.]
Je hoort een verhaal over een neef van je. Het soort verhaal waar ze aan die kant van de familie een patent op hebben: Márquez in Vlaanderen noemde een vriendin die saga ooit. Gisteren nog nerd, vandaag al Romeo: ik heb een coole neef.
Je vraagt je dan af hoelang het ondertussen geleden is dat jij het onderwerp en lijdend en meewerkend voorwerp was in de discussies aan de familietafels. Lang, denk je. Een fucking eeuwigheid. Want je bent dertiger.
Dus je bent gesetteld, en al zeker naar Márquez' normen.
Je bent niet getrouwd, je hebt geen kinderen, je bent net nog twee aangetekende brieven gaan halen op het postkantoor. Je hebt je zelfs nog verontschuldigd in dat postkantoor voor de gaatjes in de verwittigingskaartjes (ik snij mijn haag niet vaak genoeg af, slakken kruipen in mijn postbus en eten gaten in mijn correspondentie, het lijken ponskaarten. Het lijken kaartjes in een schietkraam — en de schutter had dan Parkinson.)
Maar je bent 33 en dus gesetteld.
Dat betekent: het leven schuift rimpelloos voorbij. Je hebt doelen en termijnen. Je hebt meevallertjes en er is de okkasionele tegenslag, maar gemiddeld en door de mediaan genomen haal je je termijnen. Zonder verrassing en met een beleefd applaus aan de aankomst.
En je denkt aan de stormachtige pieken die je beklom toen je veertien was. En aan de ravijnen waar je toen verloren in ronddoolde, en nu om hebt leren lachen. Ja, je weet hoe scherp een steen kan zijn en je gaat 't bijna zelf geloven, dat je er bijna bent.
Dan komt er een mailtje binnen.
Je leest diagonaal (dat doe je dan als gesettelde en drukbezette professional.)
Je leest diagonaal.
Hartstilstand.
Nog geen bezoek.
Zijn vrouw.
Hartbewaking.
Leuven.
Je leest woord na woord en je zou 't willen. Dat het leven gezapig aan je gesettelde wezen voorbijglijdt. Zonder een rimpeltje. En je vecht tegen zinloze kwaadheid. Je verliest. Je vecht tegen het oogvocht. Je verliest. Je vecht tegen de waarom-vraag. Je bijt in het zand.
Je verliest.
Want je bent zo gesetteld als een kater in kattentijd.
Een meeuw vliegt met trage vleugelslagen voorbij het torenhoge Barco-scherm. De zon heeft haar ondergang ingezet en een zachte bries waait verkoelende zeelucht over het stadion terwijl de laatste noten van Keane uitsterven.
Dit is de stilte voor de storm. Dit is de rust voor het gigawatt geweld waar we nu met 50 000 man op beginnen wachten. Met 1200 verse kilometers in de benen en een buitentemperatuur van 33 graden geniet ik zelfs van Frans bier in een plastic bekertje.
Wij praten en lachen en zwijgen. De vrouwen liggen languit op de grond. Wanneer een man over hen heen stapt, lachen zij met de kleur van het ondergoed onder de shorts, bermuda's en driekwartbroeken.
Een keer schatert I: blijkbaar dragen niet alle mannen ondergoed.
(I is de reden waarom u Joeri moet benijden. Joeri heeft een net verbouwd huis met een tuin ter grootte van een half voetbalveld, op nog geen kilometer van de stad. In dat huis staat een chaise longue van Corbu. Er slingert een I-book met 17" scherm rond, tussen de 3 andere computers. Er staat een muur vol CD's, van Bach tot dEUS en er staat nog zo'n muur vol strips. Aan de andere muren hangen schilderijen, tot in het toilet toe. Voor de deur staan twee auto's waarvan eentje zich bijzonder aangenaam laat rijden. Maar erewoord: het is I die u Joeri moet benijden.)
Hier en nu benijd ik niemand. Dit mag blijven duren: de zon die ons nog even zacht en warm streelt voor zij de heuvelranden rood kleurt. Het hoogtepunt van de avond moet dan nog beginnen, maar ik ben zelden zo tevreden geweest met wat ik nog niet gekregen heb.
“Un-deux-trois quatorze!” echoot het later in de donkerblauwe nacht. Een laatste meeuw zweeft voorbij het scherm en ziet dat het goed is.
Recente reacties