Het zijn altijd de kleine dingen. Het vingertje door haar haar wanneer zij TV kijkt. Zijn smakken bij het eten. Mijn ‘hmmm’ wanneer ik doe alsof ik luister. Jouw huppelen van blijdschap in de ochtend.
De kleine dingen: klippen waarop relaties versplinteren.
Splinters die versplinteren tot er zagemeel en stof overblijft. Met moord, overspel en mishandeling komen we nog wel weg, zeiken in de douche kost een man twintig jaar alimentatie. (In de lavabo: dertig. Mét scheve blik van de rechter: een vrouw.)
Jij was groots in de grote dingen. Dekens voor de daklozen in de winter. Böll gelezen en begrepen. Bartok mooi vinden zonder snob te zijn, en in goeie vorm hem nog kunnen spelen ook. Je linkerarm tegen je borst wanneer de strijkstok vurig over de snaren danste: groots.
Praktische dingen zaten er niet in. Het gebraad dat je had gekookt. De wegen die je nooit vond. Je woede toen de instructeur, na de derde jammerlijke poging om je rijbewijs te halen, voorzichtig had geopperd dat je een examinator ook kon ‘kopen.’
Dat dat het probleem van je land was, had je gezegd.
Dat het bij ons waarschijnlijk duurder zou zijn, had ik geantwoord.
Dat dat misschien het verschil was tussen onze heimats. De wisselkoers. Een index: wanneer corrumperen wij?
Een klein ding, een index.
Groots had jij gevonden: ik die jouw vriend in de ogen keek en zei “I kill you if you do that again” — hij had je even uitgelachen. Hoe we daarna hadden verbroederd bij een rondje Unicum.
Zeg hem dat ik jou nog graag zie, maar dat hij niet bang moet zijn voor mij. Vertel hem van de kleine dingen.
Maar leer niet koken, want dan schuif ik bij aan tafel. Leer niet rijden, leer geen kaart lezen.
Want ik zou de voordeur opendoen.
Recente reacties