april 2007 Archieven

Memoires aan een meisje (VI)

| 9 reacties | 0 TrackBacks

Het zijn altijd de kleine dingen. Het vingertje door haar haar wanneer zij TV kijkt. Zijn smakken bij het eten. Mijn ‘hmmm’ wanneer ik doe alsof ik luister. Jouw huppelen van blijdschap in de ochtend.

De kleine dingen: klippen waarop relaties versplinteren.
Splinters die versplinteren tot er zagemeel en stof overblijft. Met moord, overspel en mishandeling komen we nog wel weg, zeiken in de douche kost een man twintig jaar alimentatie. (In de lavabo: dertig. Mét scheve blik van de rechter: een vrouw.)

Jij was groots in de grote dingen. Dekens voor de daklozen in de winter. Böll gelezen en begrepen. Bartok mooi vinden zonder snob te zijn, en in goeie vorm hem nog kunnen spelen ook. Je linkerarm tegen je borst wanneer de strijkstok vurig over de snaren danste: groots.
Praktische dingen zaten er niet in. Het gebraad dat je had gekookt. De wegen die je nooit vond. Je woede toen de instructeur, na de derde jammerlijke poging om je rijbewijs te halen, voorzichtig had geopperd dat je een examinator ook kon ‘kopen.’
Dat dat het probleem van je land was, had je gezegd.
Dat het bij ons waarschijnlijk duurder zou zijn, had ik geantwoord.

Dat dat misschien het verschil was tussen onze heimats. De wisselkoers. Een index: wanneer corrumperen wij?

Een klein ding, een index.

Groots had jij gevonden: ik die jouw vriend in de ogen keek en zei “I kill you if you do that again” — hij had je even uitgelachen. Hoe we daarna hadden verbroederd bij een rondje Unicum.

Zeg hem dat ik jou nog graag zie, maar dat hij niet bang moet zijn voor mij. Vertel hem van de kleine dingen.

Maar leer niet koken, want dan schuif ik bij aan tafel. Leer niet rijden, leer geen kaart lezen.
Want ik zou de voordeur opendoen.

Memoires aan een meisje (V)

| 4 reacties | 0 TrackBacks

Twee varkens steken de straat over in de stad. Een paard staat aan een verkeerslicht gebonden om daar te grazen op een van de weinige stukjes groen die de omgeving rijk is. Betonnen woonkazernes in wat ooit rood, groen of geel geweest moet zijn: daar wonen mensen.

De boerendorpen op onze weg waren oud geweest, de huizen slecht onderhouden. We hadden moeten slalommen tussen de putten op de enige asfaltweg die deze regio rijk is. Mannen hadden er op banken gezeten. Zonder boek, krant of radio. Meestal alleen. Vrouwen slenterden er gebukt en met boerinnendoekjes over het hoofd langs de weg. Iedereen was ouder dan zestig geweest. Hondenlijken slingerden her en der over de weg, de ingewanden errond.

Hier in Vulcany zien wij kinderen. Pubers. Dertigers.
Hun loop is die van zestigjarige boeren.
Hun kleren droegen wij twintig jaar geleden.

Wij volgen een bordje waarop 'Cabane' staat. Raken van de verharde weg af en rijden het voorgebergte in. Langs de weg ligt een stort. Op dat stort staan woningen. De ongewassen bewoners zien ons voorbijrijden, lijken verbaasd. Vier jongens stoppen even met voetballen. Een meisje van zes loopt langs de auto met de steel van een riek in haar hand. Ik vervloek mijzelf nog 's voor de vergeten batterijlader van mijn fototoestel. Ik troost mij met het idee dat ik hier niet de auto zou uitstappen om foto's te maken.

De putten op de weg worden dieper en ik ben bang dat ik het chassis ga schuren. Van de Cabane nog altijd geen spoor. Hier wil ik niet vastrijden; wij maken rechtsomkeer.

De jongens stoppen weer even met voetballen.
Het meisje heeft nog altijd de riek in haar handje.
Stof waait op, een paar mensen wijzen ons na.

Exit Bidonville.

Enter Lupeny.
Enter Bidonville II.
Vuile mensen. Geen voetballende jongens. Geen klein meisje met een grote riek.
Nog diepere putten in de zand- en kiezelweg. Weer 180 graden terug. Weer doen wij stof opwaaien tegen 10 per uur.

Eenmaal op de verharde weg racen wij terug naar een stad, 100 kilometer terug, naar daar waar ik een motel had gezien.

Bij het eten drinken wij een lokale Vin die er nog net in slaagt de wrange smaak van het vlees weg te nemen. Bij mijn laatste glas denk ik aan de wijngaard van jouw vader in de bergen van Pécs. Op een zomerige namiddag, toen Ili nog leefde. Nog voor ik ooit verliefd was geweest — buiten dan op de juffrouw in het derde kleuterjaar. Jij en ik, wij spraken nog geen Duits of Engels en terwijl onze ouders over de grote dingen des levens over onze hoofden heen praatten, hadden wij naar mekaar gekeken en niets gezegd.

Dat was pure rijkdom geweest, die namiddag. Je moet het mij vergeven dat ik het nu pas besef, bij een wijn die ik thuis door de gootsteen zou spoelen. De rest mag je mij nog steeds verwijten.

[Wordt vervolgd]

Memoires aan een meisje (IV)

| 2 reacties | 0 TrackBacks

Een hoge zon droogt het land uit. Eerst nog bos, dan weides, dan dorre vlaktes. Af en toe een boerderij, wat vee in de verte, honderden kilometers lang. Ononderbroken asfalt. Een tankstation. Een parking. Ik adem ruimte, ik hou van deze weg.
Ik vervloek mijzelf dat ik mijn lader van mijn fototoestel vergeten ben in België.
De auto krijgt diesel, B en ik koffie. Wij kopen een kaart, zien tussen ons en Brassov een slordige 500 kilometer. Nog een koffie, de laatste forrints gaan over de toonbank. Hongarije bij de Eurozone: mijn stem hebben ze.

“Hou je identiteitskaart maar klaar,” waarschuw ik B. Ik vertrouw douaniers niet, niet hier. De mitrailleur op mijn borst aan jouw grens is een van de minder prettige herinneringen aan jouw land — ik was aan de grens uitgestapt om te vragen hoe lang de file nog ging duren.

Aan de grens gaan we meteen geld wisselen. Zodra we uitstappen, komen er bedelaars op ons af. Voor mij aan de kassa wisselt een man 50 euro's in Lei: hij mist drie vingers aan zijn rechterhand. Het lijkt of de mensen aan de grensovergang allemaal twee tinten donkerder zijn geworden dan zonet in Hongarije.

Zestig jaar geleden was dit jouw land. Vandaag zijn wij een andere wereld binnengereden.
En wij hebben nog niets gezien, hier in Roemenië.
Land van Drakul, land van Ceauşescu, land van de Roma's.
De geschiedenis heeft ons gewaarschuwd.

Maar jij was altijd lyrisch over Transsylvanië. Ik verkies jou te geloven. En ik weet zeker dat ik van de Karpaten ga houden.

Memoires aan een meisje (III)

| 5 reacties | 0 TrackBacks

“You want good local wine, sir?” had de ober in het restaurant gisteren nog gevraagd. Hij had zoals elke ober in dit land de Egri Bikaver voorgesteld, en ik had ervoor bedankt. Wanneer ik de Gere Atilla uit Villány had aangewezen, had hij zijn wenkbrauwen opgetrokken.
“You've been here before, sir?”

Weet je nog, Villány, toen? Boeren met paard en kar op de straat. Onder de kar hadden autobanden gestaan. Een Lada in drie koetswerkkleuren op het erf van een boerderijtje. Oude vrouwen met doeken rond het hoofd gestrikt. Folklore, maar dan echt, had ik gezegd. Jij had gelachen.
“A little better then my father's wine,” zie je toen we van onze Gere Atilla nipten. En dat Atilla ook twee dochters van mijn leeftijd had. “But they are really fat, honey, they must've fell in the barrels when they were young. My fathers daughter is way prettier!”
En we zouden geproest hebben, als Atilla slechtere wijn had gemaakt.
Zo hadden wij een namiddag in het dorp versleten, en de tijd had stilgestaan, zoals hij hier al sinds jaar en dag deed.

Je had verteld over Transsylvanië. Dat we daar naartoe moesten gaan. Dat daar jouw roots lagen, en met jou die van heel Hongarije. Dat je het hoorde in Bartok en Kodaly. Dat er geen feesten waren zoals bij de Roemenen daar. Dat niemand viool kon spelen zoals de oude straatmuzikanten daar. Dat jij er je vingerzetting was gaan oefenen. Dat je met hun mee Europa was afgereisd om daar gewoon in de straten te op te treden en 's avonds de opbrengsten hadden opgedronken.
Dat je vanaf dan de rechten faculteit was doorgekomen met de vakanties in Transsylvanië in het vooruitzicht.
Dat jij nooit een goed advocaat zou worden had ik gezegd. En ik had het als compliment bedoeld, en wat meer was: jij had het zo begrepen. Want engelen, zij hebben maar zelden rechtsbijstand nodig.
Hell, jij kon zelfs nog geen parkeerwachter overtuigen die mij die dag voor de derde keer op de bon slingerde.

Ook dit jaar heb ik weer een verzameling bij mekaar gespaard van die blauwe zakjes: er was geen parking aan het hotel. Ze zijn nog niet veranderd, de boetes. Een overschrijvingsformulier zonder IBAN nummer, met verschillende tarieven en de uitleg alleen in de Hongaarse variant van het Wetstraatees. Ik heb ze aan B laten zien; hij kon er nog niet eens uit opmaken hoeveel we precies moesten betalen.

Morgen vertrekken we naar Transsylvanië. Ik wil Brasov zien, in de Karpaten, met het kasteel van Dracul op de hoogste top. Wij hebben nog geen kaart, maar wij maken ons geen zorgen.

[Wordt vervolgd]

Memoires aan een meisje (II)

| 2 reacties | 0 TrackBacks

Ik zag de Donau blauw en jou mooi, toen. Bij valavond op de oude wallen van Buda keken wij naar de lichtjes en de neons aan de oever van Pest. Af en toe naar mekaar, en op elke blik volgde een kus. Dan een lach.
Wij keken tot de Donau zwart werd.

Nu zingt een Japans volwassenenkoor een Salve Regina in de Matthiaskerk: het is hun muziek niet. Het meisjeskoor brengt een Japans kinderliedje. Zo fragiel dat ik naar boven kijk: “Zou er misschien toch... ?” Ik zie weer de bebloede vlaggen in het middenschip die de laatste getuigen zijn van de Hongaarse oorlogen. Ik laat mijn ogen zakken en weet me weer gesterkt in mijn ongeloof. In die dagen kleurde de Donau rood over de volle breedte, schijnt het.

Buiten valt de avond.

Ik zie weer de lichtjes. Dat Budapest zonder jou niet hetzelfde is.
En dat de schone blauwe Donau van Strauβ maar een halve waarheid is. Dat hij dat moest geweten hebben: zijn grootvader was erin verdronken.

Dat ik niet meer kan verdrinken in jouw ogen. Dan toch een laatste wals wil. Hier, onder de vleugels van de adelaar, op de wallen van Buda, met Pest aan de overkant.

[Wordt vervolgd]

Memoires aan een meisje (I)

| 7 reacties | 0 TrackBacks

In de lentezon boven de tuinen van Schönbrunn zie ik jouw voorvaderen. Daarboven aan de Gloriette torenen zij boven Wenen uit. Mozart dirigeert er een strijkkwartet, zij drinken een sprankelende wijn uit de heuvels rond het Balaton meer. De jacht is goed geweest, de vorst verlicht en er is vrede op zondag. Op zondag smaakt Wenen naar een Mélange van sterke koffie met gestoomde melk en veel suiker. Ik zie ze graag, vandaag, de aristocraten van toen.

Ik maak foto's van vrolijke meisjes in de zon boven Schönbrunn. Denk aan jou. Lach naar de meisjes.

Downtown Wenen staat een man uit een andere tijd alleen met een roos. Verderop overstemt de straatmuzikant met zijn hobo het verkeergeruis. Zijn vrouw bedankt de voorbijgangers die kleingeld in de kist laten vallen.
Groot geld en een roos zou ik ervoor over hebben om jou nog 's te horen spelen, in Budapest, in jouw kamer, met mij alleen als duizendkoppig publiek.

Maar Budapest is voor morgen.

Vandaag is het Wenen.

[Wordt vervolgd]

Recente reacties

OpenID accepted here Learn more about OpenID

per maand Archieven