In de kamers stampte men tegen de parketvloer, iemand danste. Violet misschien, de koude tangolerares, tennisspeelster. Jia's shmink was goed aangebracht, door de kundige hand van Violet natuurlijk; de laag pan-cake, de glinsterende lippen bekleedden haar huid voorgoed nu. Hij riep allerlaatste banderillo's op, hij schreeuwde er om, maar het gevecht was al lang ten einde, wist hij toen.
‘Kinderen, iedereen moet nog zijn naam op mijn been zetten’, zei Banco. ‘In inkt, anders gaat het af.’
‘Blijf.’ Bijna onhoorbaar zei zij het. Hij kuste haar bezwete voorhoofd. ‘Ga niet. Nu niet, Edward.’
Onder de roodverlichte boog beneden stond de portier en nam zijn pet af.
‘Buenna notte.’
‘Buenna notte.’
Hij draaide zich niet meer om. Geen vlugge, scherpe hakken tegen de natte keien zouden volgen. Het was niet noodzakelijk, het gebeurde dus niet. ‘Hop’ zei hij, ‘naar het helder en grijs land daarboven.’
Hugo Claus (5 april 1929- 19 maart 2008)
Toen ik het nieuws hoorde in de auto, ben ik aan de kant gaan staan. Wanneer Anciaux zowel de schrijver als de mens Claus begon te bewieroken, vertrok ik met gierende banden naar huis. Tussen de nooit uitgepakte kartonnen dozen ging ik als een razende op zoek naar ‘De Verwondering’ waarvan ik de eerste paragrafen wilde citeren. In plaats daarvan vond ik ‘De Koele Minnaar’, dat stof aan het vergaren was tussen Kerouac, Bordewijk en Eco.
Bovenstaand citaat is de laatste bladzijde.
Daar is een idool gestorven. Vlaanderen verliest haar laatste leeuw. Mijn verdriet is groter dan België.
Recente reacties