Hij staat er kaarsrecht bij, dit jaar. Acht medailles rijker. Van de negen kinderen die geboren werden in de Augustijnenstraat 9 zijn er nog vier in leven. De kaap van de negentig in zicht of net voorbij.
Van de drie aanwezige familieoudsten wordt een speech gevraagd.
De eerste komt van de smokkelaar — de basis van zijn bescheiden fortuin ligt in de botersmokkel tijdens de oorlog. De smokkelaar was van het Klein Seminarie getrapt toen hij zich in een nis geopenbaard had aan de voorbijlopende priesters, met de onsterfelijke woorden: “Zegen mij, want ik ben de onbevlekte ontvangenis.”
De vrouw naast mij aan tafel stoot mij aan met de elleboog. “Dit wordt lachen geblazen.”
De smokkelaar vertelt hoe zijn moeder, mijn overgrootmoeder, naast de toenmalige burgemeester had gezeten bij een obscure officiële gelegenheid. Het brave mens was nog aan het bekomen van de schande — de burgemeester was, godbetert, een socialist — toen de stadhouder haar naar haar leeftijd had gevraagd.
“95!” had zij hem toegebeten.
“Wel, beste mevrouw,” had de burgvader gerepliceerd, “dan hoop ik u hier binnen vijf jaar terug te mogen vinden aan mijn zijde.”
MIjn overgrootmoeder had er thuis schande van gesproken.
“Wat peist die rooje wel,” zo had zij gesneerd, “Dat hij binnen vijf jaar nog altijd burgemeester zal zijn?”
De marathonloper komt wat moeilijk uit zijn woorden in het begin. Duits en Nederlands vechten al rollend over mekaar voor een plaats in zijn zinnen. Ook hij steekt van wal met een anecdote over zijn moeder. En weer wordt er gelachen. Hij raakt op dreef en doet er eentje bovenop: de vrouw naast mij proest het uit en een meisje in de zaal staat te schudden met de fles wijn in haar hand.
Dan begint de marathonloper over zijn vader.
Het zijn kleine anecdotes.
Hoe zijn vader hem 's ochtends ooit vol op de kaak had geslagen tijdens het tandenpoetsen. Het bloed was uit zijn mond gelopen. Vader had namelijk gezien dat hij wat water had doorgeslikt bij het poetsen, terwijl hij nog niet ter communie was geweest, en zodus de hostie niet op nuchtere maag tot zich zou nemen.
De marathonloper vertelt nog een paar anecdotes in die trant en de zaal wordt stiller.
Vooraan staat een man van negentig jaar. Gevochten aan het Oostfront. Krijgsgevangen genomen. Ter dood veroordeeld in zijn vaderland. Gelauwerd marathonloper. Nu een jongetje dat schichtig om zich heen kijkt. Alsof zijn vader hier zo meteen door de glazen deuren gaat binnenwandelen, zijn jas en hoge hoed met een correct knikje aan het personeel zal afgeven en zijn brutale zoon met de wandelstok terecht zal wijzen.
“Maar hij bedoelde het goed, mijn vader,” belsuit de zoon. “Al heeft het mij tijd gekost om dat zo te zien.” En hij lijkt het te menen, gaat met een genereuze lach zitten.
Tijdens het eten vraagt mijn buurvrouw of ik kennis heb.
“Af en toe,” zeg ik.
“Groot gelijk,” weet zij. “Kijk naar mij. Geen kinderen, perfect gelukkig. Heel uw leven kunt ge uw goesting doen.”
Dat ik dat nog niet zo zeker weet, denk ik.
Dat ik voor mijn kind het plafond van de kinderkamer diepdonkerblauw zou verven. En er duizend en een diodes in hangen die met wisselende sterkte schijnen, zodat mijn kind elke nacht onder een sterrenhemel zou inslapen. Dat de Maneschijn sonate de kamer met zachte pianomuziek zou vullen en dat mijn kind zou doen alsof het slaapt wanneer papa het nog even komt toedekken voor hij weer veel te laat gaat slapen. Dat papa dan nog even zou genieten van het universum waarin zijn kind zich geborgen weet en dat dat de ogenblikken zouden zijn waarvoor papa veel te laat gaat slapen en er veel te vroeg weer uit moet.
Ik glimlach beleefd en neem een slok van mijn wijn.