Recent verschenen in de categorie Ridder

De Ridder en de Depressie

| 5 reacties | 0 TrackBacks

Het was de schuld van die vermalijde struikrovers! De Ridder zag het met lede ogen toen hij het hoofd van de Hoofdman in de bevroren vijver had geslagen. (Hoewel ongeletterd, was de Ridder niet ongevoelig voor dit soort nuances in de Dietsche taal; het ware in de schermutseling eenvoudiger geweest om het hart van de Hoofdman te doorboren, maar een Hoofdman diende onthoofd, vond de Ridder. Etiquette en respect voor Rang en Stand geven immers altijd pas! Volgens diezelfde gedachtengang had hij eens een knaap als levend — nuja, toch in het begin — schild gebruikt toen een pijlenregen zijn edele verschijning belaagde.)

Het zwaard van de Ridder was evenwel zo scherp en zijn houw was zo precies geweest dat het hoofd, hoewel nu ontegensprekelijk van de romp gescheiden, op het lijf van de Hoofdman was blijven staan. Dit had de Ridder even verbouwereerd, doch hij herpakte zich rap en grinnikte even alvorens hij het ongeschoren hoofd van dat gespuis met een eenvoudige vuistslag in de vijver mikte.
Het hoofd was na een paar stuiteringen op het ijs naast een mannetjeseend terecht gekomen. Het verbaasde de Ridder dat de eend hierop niet wegvloog. Sterker nog: het beest had geen veer veroerd!
Hierdoor verwonderd, waagde de Ridder zich op het krakende ijs teneinde het mysterie te ontrafelen. Eenmaal terplaatse diende de verklaring zich duidelijk aan.

De eend was doodgevroren.

De Ridder zag de gele pootjes vastgebeiteld in het ijs en haalde zich de doodsstrijd van het arme dier voor de ogen. Hij zag de vogel voor zich dapper met die pootjes trappelen, vechtend tegen kou en ontbering, verstoken van voedsel en warmte. Tranen biggelden in dikke druppels van de Ridders wangen.
Existentiële vragen drongen zich op.

De Ridder en de Koning

| 2 reacties | 0 TrackBacks

Met een licht bezwaard gemoed stapte de Ridder op de zaalwachters af. Nog enigszins beneveld door de wijn die hij de voorgaande nacht overvloedig tot zich had genomen in De Lustige Waardin, ging de Ridder ervan uit dat de wachters hem gezwind toegang tot de troonzaal zouden verlenen. De gekruiste lansen van de wachters gaven hem ongelijk.

"Halt ende Sta!" schreewden de twee wapendienders hem in koor toe, "Naam en reden van uw bezoek!" De trommelvliezen van de Ridder teisterden zijn zere hoofd hierbij dermate dat hij besloot meteen een einde te maken aan de administratieve plichtplegingen. Een welgemikte kniestoot en een snelle uithaal met zijn dolk ontnamen de ambtenaren elke lust tot verdere formaliteiten. Geïrriteerd werd hij een ongewone weerstand gewaar toen hij zijn handwapen terug in de schede wilde laten glijden; pas wanneer hij de oogbol van het mes had verwijderd, lukte het meteen. In de weerkaatsing van het schild van een der wachters controleerde hij nog even zijn snit — hij monsterde fier het nieuwe gewaad dat hij voor deze gelegenheid had gekocht — en drukte tevreden met zijn knappe verschijning een verschoven lok terug op haar plaats. Met de vingertoppen duwde hij de lansen uit mekaar en verschafte zich zo toegang tot de zaal.

Het rumoer onder de aanwezige edelen verstomde meteen. De glimlach van de vorst was onpeilbaar.
"Ridder," zo stak deze meteen van wal, "hebt gij enig idee waarom ik u hier ontboden heb?"
"Sire," zo pareerde de Ridder terwijl hij een elegante knieval ten beste gaf, "ik had er werkelijk geen idee van dat die vurige hofdame een uwer dochters betrof. En haar leeftijd..."
"Ridder," zo onderbrak de vorst hem royaal, "zand daarover. Het huwelijk van dat wicht heeft Bourgondië aan mijn rijk toegevoegd en Syfillis aan dat van haar gemaal. Neen, de reden van uw bezoek hier is van een veel gewichtiger aard."
Onrust maakte zich bij deze woorden van de Ridder meester. Zou de vorst het dan toch ontdekt hebben van hem en zijn gemalin? Hij had de koningin eigenlijk per ongeluk tot zich genomen toen hij zich vergist had van kamer (die van de koningin grensde aan het vertrek van haar dochter).
"... ten Noorden van de Rijn?"
De Ridder schork op uit zijn overpeinzingen en merkte tot zijn ontsteltenis dat de koning een antwoord van hem verwachtte op een vraag die hij niet had gehoord.
"Jawel, sire!" sprak hij, met in het achterhoofd de wetenschap dat een neen al enkele van zijn vrienden het volledige hoofd had gekost.
"Dan benoem ik u hierbij tot Graaf, Ridder. Graaf van Bavaria!"

Bij de feestelijkheden die hierna ontstaken, had de Ridder annex Graaf zich discreet verwijderd teneinde de kroon ten tweeden male van hoornen te voorzien. Zij was pas bevredigd geweest nadat de kroon zich van een volledig gewei verzekerd wist.

Toen hij zijn ros de sporen gaf, besloot hij bij De Lustige Waardin langs te gaan om de weg naar Bavaria en Syfillis te vragen.

De Ridder en het Toernooi

| 12 reacties

Met zeer aan het kruis reed de Ridder op een sukkeldrafje het kasteel met de wapperende banieren tegemoet. Hij probeerde zich de afgelopen nacht voor de geest te toveren. "Toch maar eerst die kuisheidsgordel uitflikkeren volgende keer ik de gemalin van zo'n kruisvaarder bestijg," nam de Ridder zich voor. Doch bij de gedachte aan welks een spektakel hem te wachten stond, klaarde zijn humeur danig op. Want bij de kampioenschappen van de edele kunst der Steekspellen werd er wat afgelachen. Buikschuddend herinnerde de Ridder zich een kamp van vorig jaar waarbij een lans door de nek van een ros en zijn berijder waren gegaan. Het was voorwaar een komisch gezicht geweest: of de lansier ging barbecuen, met die twee gespiesde koppen aan zijn speerpunt. Maar alle gekheid op een stokje terzijde speelde dat kruis hem nog ferm parten met al dat buikschudden.
Eenmaal bij de tribunes aangekomen, parkeerde de Ridder zijn ros naast een ferme boerenmerrie en zocht een plekje tussen de zitplaatsen op de eretribune. Hij wilde zijn nieuwe witte gewaad niet meteen bevuild zien worden met rondspattend bloed en ingewanden allerlei, dus koos hij voor een plaatsje op de derde rij. Achter een hoogblonde hofdame met twee reusachtige vlechten. Toen hij wilde gaan zitten draaide zij zich even om en ontging de pijnlijke grimas op zijn gelaat haar niet.
-'Heer Ridder, bent u gewond? Komt u terug van het Heilige Land? Terug van een kruistocht?'
-'Heilig zou ik het niet meteen noemen, edele vrouwe, doch mijn kruistocht is inderdaad een zware beproeving!'
-'Ach, Ridder, ieder van ons heeft een kruis te dragen. Wanneer ik uw last kan verlichten, zal ik u daarmee gaarne van dienst zijn.'
In het diepgaand gesprek dat volgde -- en dat enkel onderbroken werd door een okkasioneel rondvliegend ledemaat -- leerde de Ridder dat ook de gemaal van de edele vrouwe op Kruisvaart was.
Alzo eindigde ook dit avontuur van de Ridder voorspoedig in de vertrekken van de hofdame alwaar de hindernis van de kuisheidsgordel snel omzeild werd en de vlechten handige accessoires bleken.
"Maar zij zal vandaag geen paard kunnen rijden," grinnikte de ridder alweer op zijn ros gezeten, een nieuw avontuur tegemoet.

De Ridder en de zingende Traagspreker

| 3 reacties

Spoorlslags ende vierklauwens haastte de Ridder zich naar het koninklijk feest alwaar de genodigden in blijde verwachting waren van zijn aankomst. 'Dedjuu!' vloekte de Ridder hardop wanneer hij merkte dat de schemering reeds rondom hem was ingetreden. Zijn vurig strijdros, enigszins hardhorend omdat het al te vaak de hoef aan zichzelf had geslagen, hoorde nog enkel de 'Juu!' en vatte dit op als een aanmoediging om vijfklauwens het Vlaamsche landschap te doorklieven. Als altijd bezorgd om de snit van zijn blonde lokken, keek de Ridder hier even verveeld van op, maar dacht toen aan de prinses die naar het schijnt niet erg aan haar trekken kwam bij de kroonprins. Glimlachend liet hij zijn ros begaan.
Geheel onverwacht versperden twee speren hem plots de weg en de Ridder diende al zijn koelbloedigheid en vaardigheid aan te wenden teneinde ongelukkken te voorkomen.
-'Hola ende Halt gij hardrijder', sprak een schout tot de Ridder. 'Meneer is niet meer gesteld op zijn paard neem ik aan?'
De ridder was buiten zichzelf van woede.
-'Wat heeft dit te betekenen, gij luizige dienaars van de wet! Scheer u weg voor ik u over de kling jaag en aan de punt van mijn zwaard rijg!'
-'Smaad aan de schout, dat gaat hier nog een plezante rekening worden', noteerde een der gesnorde soldaten moeizaam op een lap perkament.
Met een welgemikte houw van zijn zwaard hakte de Ridder 's mans rechterhand af en daagde hierbij de wetsdienaren uit:
-'Nog kandidaten?'
Uit het geuniformeerde zootje trad een hoogtwaardigheidsbekleder naar voren en hij sprak traag en zangerig. Soms bleef hij vijf minuten haperen in het midden van een zin.
-'Kalmeert toch mijne man... Luister... eens hier.
Gij moet begrijpen... er vallen teveel doden... op onze wegen.'
Dat moest de Ridder wel bijtreden, op zijn wilde rit naar het koninklijk feest had hij al vijf struikrovers, twee beurzensnijders en drie kalkoenen om zeep geholpen.
-'En gij reed... vijfklauwens... aan de rand van het bos.
En gij moogt hier maar in... draf... passeren.'
Het begon de Ridder langzaam te dagen wie hij voor zich had; aan het hof noemde men hem tussen pot en pint de Zingende Traagspreker, een soort van spraakgebrek waar overigens wel meer mensen in zijn graafschap last van hadden.
-'Ahaaa, maar gij zijt het stuk onbenul dat voor elk Graafschap een apart verkeersreglement hebt ingevoerd is het niet?'
-'Jaaa', zong de man zichtbaar gloeiend van trots: 'dat is een van mijn ideeën.'
En dat waren meteen zijn laatste woorden. Met de snelheid van een bliksemschicht ramde de Ridder zijn toernooilans door de keel van de Zingende Traagspreker en schoot een pijl door het linkeroor van een soldaat die hem met de speer de weg versperde. Hij ontvluchtte het tafereel in razende vaart en maande zijn paard met een honende Ju aan tot snelle galop.
-'Nog niet in mijn tijd', lachte de Ridder.
En hij bad vurig dat nog geen andere ridder de prinses had geschaakt.

Ridder meets Potter

| 0 reacties

Met nog een zwaar hoofd van de kater die hij had opgelopen op een onbenullig orgietje gisteren, zat de Ridder achterstevoren op zijn strijdros. Hij moest zich wel op deze manier voortbewegen, daar zijn paard tijdens die orgie ook niet gespaard was gebleven van het een en ander en dientengevolge niet meer in staat was vooruit te lopen. De Ridder zelf had zich tegoed gedaan aan de mollige keukenmeid. Het overvloedige maal met als hoofdschotel een everzwijngebraad had hem daartoe geïnspireerd.
Een tikje misnoegd bekeek hij zijn spiegelbeeld in zijn schild. Met een vermoeid gebaar veedge hij de bruinrode vlekken van zijn gelaat en hoopte stilletjes dat dat de restanten waren van de saus bij het gebraad.
Veel tijd om hierover na te denken werd hem echter niet gegund.
Vanuit het niets scheerde een zwarte schim rakelings tussen de takken van het bos door, en de ridder kon zich nog net op tijd bukken om een frontale botsing te vermijden.
-'Sorriiiieeee!' piepte het zwarte dingetje nog voor het weer uit het gezicht van de ridder verdween.
-'Sorry! Sorry! Maak dat je hier bent, stuk laagvliegend ongeluk! Dat ik je over de kling jaag!'
De brutaliteit! En wat was dat nu in godsnaam geweest?
'Toch maar wat minderen met die brandewijn de volgende keer' nam de Ridder zich voor. Maar daar kwam het gevaarte weer van tussen de bomen gevlogen. Hij zag dat het gevaarte niets anders was dan een pubertje op een bezem gezeten. Met een cape om de hals, een verbrijzeld brilletje op de neus ('hij zal al wel een paar keren tegen de bomen gevlogen zijn,' wist de ridder) en een totaal gedemodeerde hoed op het hoofd.
-'Meneer, hebt u mijn Snaai niet gezien?'
-'Jouw snaai? Noemen jongetjes hun snikkel tegenwoordig zo? Hoe komen ze d'r op?' De Ridder krabde zich even door het haar.
-'Nee meneer, u begrijpt het niet. Ik ben Potter! En u moet mij helpen mijn Snaai te vinden!'
-'Wàt! Een potter!? Jongen, ik mag dan al vrijdenkend zijn en al wat je wil, maar jij gaat te ver! Stuk schandknaap van ja mijn voeten! Nog maar pas van onder moeders rokken vandaan en al een beetje aan het outen! Erger nog: aan het prostitueren! Onder mijn ogen uit! Halfwassen flikker die je bent!' en hij trok reeds zijn zwaard uit de schede.
-'Meneer de Ridder, past u maar op. Ik heb een stokje van zevenentwintig komma acht centimeter en daarmee kan ik een hele boel...'
Maar verder kwam het jongetje niet: met een wilde houw van zijn zwaard hakte de Ridder een stukje van de bezem. Het jongetje trok die vliegensvlug omhoog en na het uitvoeren van een paar halbrekende capriolen verdween het weer uit het zicht.
-'Mijn mooie Nimbus 2000', snikte het nog even na.
'Wat een gek ventje,' dacht de Ridder, 'stel je voor dat zoiets ooit een rolmodel voor de jeugd wordt.' Hij besloot zich er verder niet druk om te maken.
'Juu!' spoorde hij zijn ros aan, dat spoorslags vertrok. Maar daar de ridder nog steeds achterstevoren op het paard zat, viel hij er met een geweldige smak vanaf. Misnoegd klopte hij het stof van zijn maliënkolder en besteeg moeizaam zijn viervoeter. En tegen de oranje gloed van de ondergaande zon reed hij alweer een nieuw avontuur tegemoet.
Eentje zonder keukenmeiden hoopte hij vurig.

De koene ridder en de trol

| 1 reactie

De koene ridder reed het machtig kasteel tegemoet dat zich nog helder aftekende tegen de ondergaande zon. Hij werd aldaar voor een avondfeest verwacht. In volle galop bekeek hij zijn spiegelbeeld in het speciaal voor de gelegenheid opgeblonken wapenschild. Nonchalant veegde hij de klodder bloed van zijn wang. Dat bloed was een rechtstreeks gevolg van zijn laatste schermutselingetje met de draak van een onbetekend graafschap. Het prinsesje dat dat wapenfeit hem had opgebracht, bleek na een korte inspectie minderjarig en met syfillis besmet te zijn, dus had hij dat stuk vuurspuwend reptiel eigenlijk evengoed in leven kunnen laten, bedacht hij achteraf.
Maar nu was hij onderweg naar een gothic party avant la lettre, en daar kon je al 's een gehalsketende has-been bourgeois trut tegen het lijf lopen. En die waren voor een ritje op zijn strijdros werkelijk tot alles bereid, zo had de ervaring hem al talrijke malen geleerd.
Bruusk werd de koene ridder echter gestoord in zijn nobele overpeinzingen.
-'Hela... ridder! Riiiiidddeeeeer! Hoooeeehoeee!' riep een krassende stem achter hem.
-'Beetje voor je kijken als je rijdt, ridder. Je had me niet eens gezien! Wegpiraat!'
Misnoegd gaf de ridder een snok aan de teugels om zijn ros tot stilstand te brengen. Hij draaide het hoofd en ontwaarde een laagbijdegrondse trol.
-'Zeg op mormel! Wat scheelt er? Ik ben gehaast!'
-'Wat er scheelt vraagt hij dan?! Dat passeert in dollemansvaart een trol gelijk een ander, gunt hem nog geen blik, laat staan dat hij ambras begint te maken en dat vraagt wat er scheelt! Meneer de Ridder heeft het blijkbaar te druk met andere dingen dan riddertje spelen!'
-'Wees dan blij, achterlijk onderkruipsel,' onderbreekt de ridder hem, 'nu moet ik je wel van kant maken. Want zo gaat dat: ridders maken korte metten met trollen. Ik zie mij op de volgende riddersmeeting al zitten tussen die andere ridders: Hey koene... gehoord dat gij tegenwoordig zelfs geen trollen meer aankunt jong! Ik wil nog tussen de mensen kunnen komen he.'
-'En ikke dan! Bij de volgende vergaderding van het trollensyndicaat hoor ik ze al afkomen: Haa onderkruiper, gij wordt tenminste niet meer gediscrimineerd. Gij wordt genegeerd! Dieper dan dat kunde niet vallen zou ik zo peinzen.'
Zo had de ridder het nog niet bekeken.
En vooral het feit dat hij nu bijna per ongeluk bezig was geweest met positieve discriminatie, stuitte hem danig tegen de ridderlijke borst. Dat een trol hem daarop had gewezen: het leven kan toch raar lopen. Zo schoon zijn: op je fouten worden gewezen door het laagste van het laagste. Even vocht hij tegen de opwelling om een traan te laten.
Dan trok hij zijn zwaard uit de schede en met een zwierige houw scheidde hij het trollenhoofd van de romp.
-'Dank je wel, om me te behoeden voor het slaan van een onvergeeflijke flater,' sprak hij nog tot het rompje, daar hij niet had gezien waar het hoofd was terechtgekomen.
Hij keek nogmaals naar de spiegeling in het schild en zag niks meer want ondertussen was die zon helemaal onder. Toch was hij tevreden met zichzelf. Spoorslags reed hij verder, een nieuw avontuur tegemoet.
Eentje met zo'n bourgeois trut, hoopte hij vurig.