Het was de schuld van die vermalijde struikrovers! De Ridder zag het met lede ogen toen hij het hoofd van de Hoofdman in de bevroren vijver had geslagen. (Hoewel ongeletterd, was de Ridder niet ongevoelig voor dit soort nuances in de Dietsche taal; het ware in de schermutseling eenvoudiger geweest om het hart van de Hoofdman te doorboren, maar een Hoofdman diende onthoofd, vond de Ridder. Etiquette en respect voor Rang en Stand geven immers altijd pas! Volgens diezelfde gedachtengang had hij eens een knaap als levend — nuja, toch in het begin — schild gebruikt toen een pijlenregen zijn edele verschijning belaagde.)
Het zwaard van de Ridder was evenwel zo scherp en zijn houw was zo precies geweest dat het hoofd, hoewel nu ontegensprekelijk van de romp gescheiden, op het lijf van de Hoofdman was blijven staan. Dit had de Ridder even verbouwereerd, doch hij herpakte zich rap en grinnikte even alvorens hij het ongeschoren hoofd van dat gespuis met een eenvoudige vuistslag in de vijver mikte.
Het hoofd was na een paar stuiteringen op het ijs naast een mannetjeseend terecht gekomen. Het verbaasde de Ridder dat de eend hierop niet wegvloog. Sterker nog: het beest had geen veer veroerd!
Hierdoor verwonderd, waagde de Ridder zich op het krakende ijs teneinde het mysterie te ontrafelen. Eenmaal terplaatse diende de verklaring zich duidelijk aan.
De eend was doodgevroren.
De Ridder zag de gele pootjes vastgebeiteld in het ijs en haalde zich de doodsstrijd van het arme dier voor de ogen. Hij zag de vogel voor zich dapper met die pootjes trappelen, vechtend tegen kou en ontbering, verstoken van voedsel en warmte. Tranen biggelden in dikke druppels van de Ridders wangen.
Existentiële vragen drongen zich op.